dinsdag 10 december 2013

1. Demografie (vervolg 1)

De stad kampte met een aanzienlijk sterfteoverschot. Er stierven jaarlijks meer mensen dan dat er kinderen werden gedoopt. Deze situatie deed zich vrijwel ieder jaar voor. De weinige jaren dat de geboorte wel hoger was dan de sterfte konden niet zorgen voor de groei van de bevolking zoals die tussen 1674 en 1750 plaatsvond. Er zijn argumenten om aan te nemen dat het sterfteniveau voor 1725 niet zo veel afweek van dat tussen 1725 en 1750.(39) Toch begon rond 1700 het bevolkingsaantal van Montfoort toe te nemen, ofschoon de geboorte bij de sterfte achterbleef. Deze toename kon uitsluitend tot stand zijn gekomen door een grote instroom van nieuwkomers.

Eén van die nieuwkomers is Henric. Hij vertrekt in 1697 met zijn vrouw en vijf jonge kinderen uit Abcoude naar Montfoort. Op verzoek van de stad Montfoort. Immers in de raadsbesluiten van de stad wordt op 8 februari 1697 de volgende tekst genotuleerd:(40) 

Drie gunsten worden door Montfoort verleend, bijna zeker uit economische overwegingen. Het beroep van Henric kan hier heel goed een rol in hebben gespeeld. Hetgeen blijkt uit nog meer raadsbesluiten uit deze periode. Want een paar dagen later, op 1 maart, ‘is den oud Borg. Speijert versocht omme met de drapiers, die van Woerden binnen dese stad metter woon souden komen, ende welker meubilen tot deser stadt kosten souden werden overgehaalt, voor een somme gelts ten minste doenen, te accorderen’.(41)

Het heeft er alle schijn van dat in Montfoort in dat jaar de lakenindustrie nieuw leven wordt ingeblazen met drapiers uit Woerden en dus ook vanuit Abcoude.

Maar niet alleen lakenmakers worden aangetrokken. Ook op het verzoek van Albertus Foreest, een wijnkoper, wordt door de stad op 7 juni 1697 positief gereageerd. Hij had verzocht ‘om binnen dese stede wijnkoopschap te doen met versoeck van interdictie (=verbod) jegens alle van buijten inkomen personen omme deselve wijnkopers neringh te doen'. Zes jaar lang wordt zijn ‘wijnkoopmanschap’ beschermd als hij zich binnen zes weken in de stad zal vestigen.((42)

Op 18 januari 1698 wordt aan Johan Crollius en Ambrosius van der Waal toegestaan zich in Montfoort te vestigen. Ook enige ‘werkslieden’ zijn welkom om in Montfoort ‘zes getouwen in te mogen richten voor zijde en wollen stoffen’.(43)

Niet iedereen kwam zo maar Montfoort binnen. Want in hetzelfde jaar vinden we in de raadsbesluiten van 1 augustus dat ‘Bij den Borgermr. Both ter vergaderinge voorgebragt zijnde dat de lakendrapier ende een kettingspinder met namen Jan Rutten Spelt, ende Jacob Roelen tot Cortehoeff, wel genegen souden wesen alhier ter stede metter woon te komen mits dat verscheijde vrijigheden aan haar soude werden geaccordeert, soo is naar deliberatie goetgevonden ende geresolveert om redenen, de gemelte persoonen gene sodanige vrijigheden als sij pretenderen te vergunnen ende haar per missive of anders daar van kennisse te geven’.(44)

Eén van de drie gunsten die aan Hendrick Aarnouts Hulte worden toegezegd, is de opdracht van de raad om de 25 gulden uit te betalen. Hetgeen gebeurt, namelijk enige maanden later op 28 juni 1697.(45)

39 Woude, Demografische ontwikkeling, 143-155.
40 GAM 35: Pagina 221.
41 Ibidem.
42 Ibidem, pagina 226.
43 Ibidem, pagina ?
44 Ibidem, pagina 259.
45 Ibidem, pagina 231.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten