donderdag 2 januari 2014

IV. ULTEES IN MONTFOORT


1. Henric Ulte in Montfoort (1697-1719)

In een vorig hoofdstuk zagen we al dat in februari 1697 Hendrik Aarnouts, een drappier uit Abcoude, met zijn vrouw en vijf jonge kinderen werd toegestaan om zich in Montfoort te vestigen.

Eerst halen we nog eens wat herinneringen op over Hendrik.146

Periode 1655-1697
Henric Jacobsz wordt op 16 december 1655 gedoopt in de Geertekerck te Utrecht. Als zoon van Arnoud Jacobsz en Rachel Paghe. Het duurt ruim 28 jaar voordat we weer iets lezen over Henric. Over de periode 1656 tot 1683 is weinig bekend, maar we weten dat zijn vader ook in 1668 nog in Utrecht verbleef. Henric was toen bijna 13 jaar. In de roerige tijd tussen 1670 en 1680 is alleen bekend dat een deel van de familie richting Amsterdam vertrok. Henrik Aernoutsz Hulte, zoals de naam dan inmiddels is, treedt dan ook in Amsterdam (22 april 1684) in het huwelijk met Trijntje Martens.
Hij beoefent op dat moment het beroep van lakenmaker uit en woont in ‘t Noortzebosch. Zijn oudere broer Jacob trad bij dit huwelijk op als getuige. Hij had het beroep van lakenwever. Beide broers traden in de voetsporen van hun vader die ook in de textiel zijn brood verdiende.

Het ‘Noortse Bosch’ was een buurt die in de jaren zeventig van de 17e eeuw rond de Vijzelsgracht lag. De naam verwees naar de hier, voor de fundering van de zogenaamde wevershuisjes gebruikte heipalen van Scandinavisch grenen. De net binnen de stad gelegen huisjes werden gebouwd ten behoeve van wevers, wolkammers en spinsters. De stad Amsterdam wilde de textielnijverheid stimuleren en stelde daarom  deze grond ter beschikking.

Tijdens de Amsterdamse periode worden er drie kinderen uit het huwelijk gedoopt en wel op:
8 februari 1685         - Aernout
12 december 1686 - Marritie
27 juli 1689 - Marietie
We kunnen aannemen dat het tweede kind (Marritie) snel is overleden. Want in deze tijd krijgt een pas geboren kind namelijk dikwijls dezelfde doopnaam als het daarvoor geboren kind inmiddels is overleden.

Dan vertrekt Henrik Aarnouts met zijn gezin naar Abcoude. Op 20 oktober 1690 wordt hij als lidmaat van de Gereformeerde Kerk te Abcoude ingeschreven. Hij is op dat moment lakenmaker. In de periode die hij en zijn vrouw Trijntje in Abcoude doorbrengen (1690-1697) worden er opnieuw drie kinderen gedoopt, namelijk op: 29 maart 1691 - Catharina
        23 september 1694 - Johannes
        30 augustus 1696 - Beatrix

Dan vertrekt het gezin naar Montfoort. De aankomst van Hendrik in Montfoort is al beschreven, dus eerst een impressie over de stad Montfoort in die jaren.


Twee notariële zaken uit 1697 (betreffende Montfoort):
23 april Huur en verhuur
Cornelis van Bloklandt, 70 jaar, weduwnaar van Aeltje Ockers van Vuyren, verhuurt aan zijn zoon Ocker Cornelisz Bloklandt, een hofje 'oostend Hoogstraet, aen de Stadtswalle'. Na het overlijden van de verhuurder, zal de huurder bij de boedelscheiding dit hofje aannemen tegen betaling van 150 gulden.

28 december Testament
Johan van den Broeck, burgemeester van Montfoort, benoemd als erfgename zijn zuster Elisabeth van den Broeck, weduwe van de heer Chatvelt, in leven advocaat, te 's Hertogenbosch. Jacob Valckenborgh, neef, wordt benoemd als executeur en voogd.


Montfoort in 1698-1700
Na een indrukwekkende historie blijkt de Gouden Eeuw ook in Montfoort in het jaar 1698 beëindigd te zijn. De stad raakt in verval. Dat moge blijken uit de volgende ‘story’.147

In het voorjaar van 1698 richt Anna, weduwe van Adam van Storck, een brief aan de ‘Achtbaere Heeren Regeerders der Stede Montfoort'. In deze brief herinnert ze het stadsbestuur er nog eens aan dat ene Dirck Bastiaensen al weer enige tijd geleden door de stad was geordonneert een put te graven om de gier of koemest op zijn erf of grond te houden. Zodat de buren door deze ‘vuylicheyt of stanck niet mochte worden geincommodeert (= gehinderd)’. Maar Dirck gaat, aldus Anna, ‘in verachtinge van Uwe achtbare orders’ gewoon door met de vuiligheid in de goot te laten lopen. Nog erger zelfs, omdat de straat voor het huis van Dirck aan de Peperstraat lager ligt dan dat van zijn buren aan beide zijden en de drek in dit dieper gelegen gedeelte dus blijft staan drogen en stinken, vegen Dirck of zijn bedienden om dit te voorkomen regelmatig de drek met geweld op het erf van Anna van der Storck.

Een onhoudbare situatie vindt Anna, waarbij zij ook nog aanvoert dat 'behalve dat het selve is streckende tot dicieraedt van U achtbare Stede soo sou lichtelijck bijsonder in de somer tijdt siecktens door de voors. stanck worden veroorsaeckt'. Ze verzoekt dan ook de raad Dirck Bastiaensen op verbeurt verklaring van vijftig gulden te ordonneren. Verder dat hij de gier of koemest op zijn eigen grond houdt, dat hij zijn straat verhoogt zodat ook het water gemakkelijk in de goot passeren kan en dat hij of zijn bedienden de drek niet langer op het erf van Anna vegen. Op 6 juni krijgen de beide burgemeesters en de oud-burgemeester Speijert van de raad opdracht ter plaatse de toestand te inspecteren. Zonder direkt resultaat zoals ruim een jaar later blijkt.

Op 6 november 1699 blijkt dat Dirck Bastiaanz. van Linschoten, ondanks herhaalde malen daartoe geordonneert, nog steeds in gebreke blijft om achter zijn huis een put te maken tot voorkoming van 'incommoditeyten' welke zijn buren daardoor zouden ondervinden. Hij krijgt dan van het stadsbestuur nog veertien dagen de tijd. Is het dan nog niet gebeurt, dan zal de maarschalk opdracht worden gegeven een en ander in orde te laten brengen. De kosten zullen dan betaald worden uit het gewin van de derde penning.

De slechte staat waarin de straat van Dirck Bastiaensen verkeert is niet iets unieks in deze tijd. Ieder jaar omstreeks Sint Maarten (11 november) worden de straten en de zandpaden van de stad geschouwd door een delegatie van het stadsbestuur. Elk jaar weer moeten inwoners gewaarschuwd worden de straat in behoorlijke staat te brengen of goten te graven. Op 9 oktober 1699 besluit het stadsbestuur zelfs de bevolking te verplichten 'de goten welcke haren drop op ... straten' in te trekken en 'in plaatse van dien gehouden sijn te maken hangende goten die haare ontlastinge vant water sullen hebben in of ter sijden hare stoepen'.

Zo tracht het stadsbestuur de stad schoon te houden. Een moeilijke opgave in een stad zonder riolen en zonder vuilnismannen. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat er op 14 februari 1700 klachten binnen komen over het feit 'dat de schoolkinderen in ‘t wild loopen, ter oorsaecke van een doodelycke sieckte'. Gezocht wordt naar middelen om de mensen tevreden te stellen en de kinderen 'in bezigheid en goede tucht te houden'.


Drie notariële zaken uit 1698 (betreffende Montfoort):
20 januari Voogdbenoeming
Floris van Ewijck, 'medec. doctoir' te Utrecht, gehuwd met Gerarda van Suylen, benoemd Rudolph van Cuylenborch, 'oudt borgermeester van Montfoort', als voogd over hun onmondige kinderen. Uitgesloten worden zwager Willem van Suylen en andere familieleden van zijn vrouw.

20 april Procuratie
Jan en Borchard de Vry, onmondige kinderen, geholpen door hun voogd Johan Masuer, 'comis van de staten van Utrecht', dragen Johan Both, eveneens voogd, secretaris van Montfoort, notaris en procureur binnen Woerden op om de tegoeden van hun overleden broer Pieter te innen. Deze laatste was overleden op Ambon en was in dienst van de VOC te Amsterdam.

16 juni Verklaring
Hendrick Willebrinck, koopman in specerijen te Antwerpen en Elizabeth Schade, dochter van Johan Schade en Elizabeth de Leeuw, eveneens uit Antwerpen, verklaren dat zij geen aanspraak zullen maken op de boedel van Jacob Duck. Zij waren erfgenamen van de boedel van hun oom Johannes Duck, in leven Rooms priester te Montfoort.


In deze stad kwam Henric met zijn gezin terecht en wordt op 27 november 1698 als Hendrick Hulten, samen met Trijntje Meertens, als lidmaat in de 'Christelijk Gereformeerde Nederduijtsche Kerke' in Montfoort geregistreerd.

Even daarvoor (18 oktober) was het zevende kind gedoopt. Een meisje: Rachel.
Ook neemt de stad Hendrik als burger aan hetgeen blijkt uit het "burgerboekje". Op 25 januari 1699 wordt Hendrik Ulté aangenomen als 'borger'.






Drie notariële zaken uit 1699 (betreffende Montfoort):
22 mei Schuldbekentenis
Niclaes Hoffkens uit Utrecht leent 550 gulden aan Daem Janss te Reyerschop. Borg staan zijn broers Gerrit Janss, grutter te Montfoort, Aryen Janss te 's Gravesloot en Cornelis Gertss Galesloot uit Jutphaas.

13 oktober Procuratie
Cornelis Monde, koopman op de Neude te Utrecht, machtigt Hendrick van Oort, 'procureur gerechte van Montfoort', om proces te voeren tegen Jan Buker Backer te Montfoort.

6 november Attestatie
Steven van Stekelenburgh uit Montfoort dient een vordering in over de verkoop van een koe aan N.N. de weduwe van Simon van der Laan. Getuigen zijn Jacob Wintsant uit Utrecht en Herman Schyf, 'bode 's hoofs van Utrecht'.


Hendrik in 1700 voor de schepenenbank
Bij een vergadering van het gerecht, een z.g. 'ordinaris regtdag', op 20 februari 1700, waarbij naast de maarschalk Pooll ook de burgemeester Speijert aanwezig is, treedt Hendrik Hulte op als 'eijser'. Twee ‘oud borgermeesters’ (Both en Cortenes) en vijf schepenen (Pol, Ouwerogge, Boij, de Gruijter en Crollius) zijn eveneens aanwezig. Om uitspraak te doen over ‘een zaak’. Hendrik had namelijk Gerbrand Smallenburgh gedaagd en gesommeerd 'tot resitutie van de geleende schrobbel banck en twee roeden'. Een schrobbelbank is een bank waarop de wol grof wordt gekaard. Dit kaarden gebeurde met een blok met ijzeren punten om de vezels van de te spinnen stof te ontwarren en evenwijdig te leggen. De roeden waren waarschijnlijk gewone metalen staven of stangen. Een instrument dat in de textielnijverheid werd gebruikt. 
Hendrik vroeg om een vonnis 'bij provisie', hetgeen betekent dat het vonnis bij voorbaat kan worden ten uitvoer gelegd zonder de termijn voor de tegen het vonnis openstaande rechtsmiddelen af te wachten. Hoe de uitspraak luidde is niet duidelijk. De aantekening eindigt met ‘cft’.148

Opnieuw een dochter,‘Genaamt Aletta’, zorgt, met een doop op 18 augustus 1700, voor uitbreiding van het gezin van Hendrik en Trijntje.


Drie notariële zaken uit 1700 (betreffende Montfoort):
15 maart Schuldbekentenis
Jacob Reyersen Kemp uit Montfoort bekent 1.400 gulden te hebben geleend voor de koop van landeryen. Borg staat Pieter Gerritsz Ruwen uit Williscop. Geleend wordt van Jan Cornelisz van Nes, wonend op 'hoffstede het Hof ter Wey'.

17 mei Huur en verhuur
Dirck Claessen Sluys uit 'Williscop, buyten Montfoort', huurt van Maria van der Steen uit Utrecht, een 'huysinge c.a. met elf t halff mergen lants'. Met als belendingen: voor: 'de gronsweert van de Ysselle' en achter:'de Blocklandtseweeteringe'.

19 november Goedkeuring
Jan van Stevensloot, uit Montfoort, keurt het testament van zijn zoon Willem van Stevensloot goed. Deze laatste is 'ordinaris schipper op 't trekschuytenveer van Utregt op Amsterdam' en heeft als woonplaats De Weerdt.

Vuil in Montfoort en poortiers (1701-1704)
Dat het in Montfoort nog steeds niet koek en ei is, blijkt uit de notulen van het stadsbestuur.149 Zij moet blijven dreigen en zich verscheidene keren met ‘mest’ bezighouden. Vooral omdat een boerderij in een dicht bewoonde wijk nu eenmaal minder prettige zaken met zich meebrengt. Zo trekken een mestvaalt, een gierput en niet in de laatste plaats het vee, toch op zijn minst een hoeveelheid vliegen aan.

Het stadsbestuur geeft op 12 september 1701 Jacob Bijlevelt en de zoon van Dirck Stevensz., poortier en hen die het verder mocht aangaan de opdracht 'omme hare vaalte messie, leggende tegens de stadsmuere ontrent de Heeswijcker poort binnen den tijd van veertien dagen te amoveren' op straffe dat de magistraat de mestvaalt in bezit zal nemen tot haar eigen voordeel. De mestvaalt zal dan vervoerd worden naar de plaats welke de heren daarvoor geschikt achten. Gebeurde dit aan de rand van de stad, ook in het centrum kwamen zulke situaties voor. Op 1 mei 1702 krijgt Steven van Stekelenburgh te horen dat hij een 'seeckere mestvaalt op het kerckhoff deser stede van daar te amoveren, binnen den tijt van tweemaal 24 uijren'. Bovendien wordt hem verboden in de toekomst daar nog eens een mestvaalt te maken, waarbij hem een straf in het vooruitzicht wordt gesteld.


Twee notariële zaken uit 1701 (betreffende Montfoort):
11 juni Huwelijkse voorwaarden
Jurriaen Emous, schipper van Montfoort op Ter Gouw, laat huwelijkse voorwaarden optekenen. Hij wordt geassisteerd door Judith Schael, zijn moeder en weduwe van Pieter Jacobz Emous, uit Montfoort. Zij doet afstand van de 'legitieme portie'. De bruid is Maria Modee uit Utrecht. Zij wordt geassisteerd door Cornelis Dus, zwager, winkelier 'buyten de Weertpoort'.

4 september Procuratie
Maria van der Myl, weduwe van Henrik Goldewyk, te Montfoort, geeft volmacht aan Jacob Woerdman, procureur voor den hove van Utrecht, om een proces te gaan voeren.

Op 11 november 1702 neemt de raad opnieuw maatregelen. Dan ontbiedt men de poortiers op het stadhuis en gelast hen om 'om den anderen dag in sijn wijck met een kruywagen om te rijden om den asch ende dreck van d’inwoonders af te halen'. Voor elke poortier zal een ratel gekocht worden. Zo kunnen zij alle inwoners van hun komst verwittigen. Tevens wordt de route van de heren bepaald.

De poortier van de Willeskopperpoort komt tot aan het Wed, de Lange Kerkstraat tot aan het kerkhof en door de Oude Boomgaard. De poortier van de IJsselpoort van het Wed af tot aan de Havebrug, de Keizer- en Peperstraat tot aan de Kerkstraat. De poortier van de Heeswijkerpoort gaat van de poort af, het Hof om tot aan de Peperstraat en aan de andere zijde tot aan de Havebrug. Waarschijnlijk hebben de heren poortiers met deze opdracht de hand gelicht want op 3 november 1704 worden ze opnieuw geordonneert om 'alle twee dagen yder door sijn quartier met een ratel om te gaan om de vuilnis van de borgers op te halen'.


Twee notariële zaken uit 1702 (betreffende Montfoort):
27 januari Attestatie
Arie Kassenaar, hospes in 't Hommeltje, dient een vordering in, in verband met het gedrag van de pachter van de gebrande wynen en een bode van het hof. Getuigen zijn Gerrit Jansz Geeresteyn, 30 jaar, mr. schoenmaker te Montfoort en Jan Cornelisz, 28 jaar, wonend buiten Utrecht.

6 maart Borgtocht
Een borgtocht waarbij de belanghebbenden de erven van Evert van de Poll zijn. Borg staan Dirck Claessen Sluys uit Williscop en Jacob Reyersen Kemp uit Montfoort. De borgtocht is voor de kinderen van Tonis Reyersen Kemp, zwager en broer, vanwege achterstallige pacht van de hofstede in Blokland.

Op 14 november 1703 wordt opnieuw een dochter van Hendrik Hulte en Trijntje Jans gedoopt. De naam van dit meisje: Martha. Later zal blijken dat dit negende kind tevens het laatste kind zal zijn. Een toevallige bijkomstigheid is dat dit derde in Montfoort gedoopte kind voorafgegaan wordt door drie dopen in Amsterdam en drie dopen in Abcoude !


Begin 1703 (11 januari) worden door de maarschalk van de stad en landen van Montfoort (Claudius de Pooll), de kapiteins, luitenants, vaandrigs en sergeanten van de Montfoortse schutters ontboden om te vergaderen. Hij stelt dat sinds 1699 geen verkiezing van de schutterij was gehouden en dat het tijd wordt om de 'schutteren krijgsraad' weer op sterkte te brengen. Eén van de genomineerde als sergeant is Hendrik Hulte. Echter zoals later blijkt zonder gekozen te worden. Wel maakt hij in 1703 deel uit van een groep van 40 schutters in het 'witte vaandel'.


Drie notariële zaken uit 1703 (betreffende Montfoort):
30 juli Afstand
Mattheus Bom, 'impostmeester van de zeep over Utregt en Montfoort', is cedent. Cessionaris Claudius de Pool 'maarschalck ende schout van Montfoort' verklaart af te zien van appel tegen het vonnis van het gerecht van Montfoort.

17 september Procuratie
Justus van Cuylenburgh, 'vicaris capittel St Marie t' Utrecht', geeft volmacht aan Aelbartus Foreest, wijnkoper en Herman van Loenen, gerechtsbode, beiden te Montfoort, om Leendert Roos, wonende te Cattenbroek, te laten gijzelen vanwege een pachtschuld.

30 december Schuldbekentenis
Geertruyd Blankebyl, weduwe van Andries Stekelenburg, is 'lakenkoperse' te Montfoort. Zij is 700 gulden schuldig 'na voorafgaande verrekeningen van geleverde koopmanswaren'. Schuldig aan de erven van Henrik Suik en aan Henrik Suik den jongen c.s.


Montfoortse vrouwen in 1704
Hoe moeilijk het is om als vrouw ook dame te zijn, is ook in de geschiedenis van Montfoort meermalen gebleken. Een paar voorbeelden uit het jaar 1704:150

Op 7 juli wordt aan Dirkje, dochter van Geertruijd Nannes de Heer en aan Annigje, dochter van Gerrit Elberden de inwoning van de stad ontzegd. Zij moeten met hun kinderen binnen 48 uur de stad verlaten omdat zij voortgaan 'in haar gansch goddeloss en schandeleus leven'. Op 3 november lezen we over de problemen welke een vrouw kan veroorzaken binnen het huwelijk. Jan Reaal komt zich dan bij de vroedschap beklagen over het 'quaad gedragh' van zijn vrouw Jannigje. Jan trad op 21 april 1700 voor het gerecht van Montfoort met deze Jannigje Boogers, geboren te Heteren en wonende in Montfoort, in het huwelijk. Het 'quaad gedragh' bestaat uit 'van sigh selven in stercken dranck te vergeten'. Op verzoek van Jan krijgt zij dan bevel het kind (waarschijnlijk Cornelia, op 8 februari 1701 gedoopt) dat hij bij haar verwekt heeft, aan hem over te dragen.

We keren terug naar Hendrik Hulte.



146 Ultee, ‘De geschiedenis van de familie Ultee, deel 1’, pag. 122-127.
147 Heemtijdinghen, 17e jaargang no.2, 1981.
148 RAU Rechterlijk Archief Montfoort, 14 (oud 604-12), Civiele rol.
149 Heemtijdinghen, 17e jaargang no.2, 1981.
150 GAM 36: pag. 166+175.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten