donderdag 12 december 2013

Touwslagerij (vervolg 1)

Bij de lijst van dit jaar (1761) treffen we een kopie aan van een ‘Requeste voor de wed. Willem Smallenburg’. Deze vrouw (Catharina), de zuster van Arnoldus, doet het volgende verzoek aan de stad:(114)




Het recognitiegeld bedroeg in de jaren 1753 tot en met 1761 drie gulden. Ook over de jaren 1762 tot en met 1780 wordt dit bedrag door de stad berekend voor de huur van de lijnbanen.
Veel wijzigingen deden zich niet voor bij het verhuren van de lijnbanen. Bij de lijsten met als datum Martini 1762 tot en met 1780, worden onder ‘Baanen’ de volgende namen genoemd:


In 1779 zal Arnoldus overlijden. Hij komt dan ook niet meer voor op de lijst over het jaar 1780. Op de lijst van dat jaar worden nog genoemd:
De Heer Albertus Foreest, Willem Spendel, Antonij de Goede, Olivier van Wijngaarden, Engelbt en Pieter Noteboom en Johannes van Wijngaarden.


De eigenaren van de baanhuizen verdienen enige aandacht. Zij zijn, een enkele uitzondering daargelaten, voor Montfoortse begrippen heren van stand. Dirk van Bambergen, Nicolaas Foreest, Willem Rietvelt en verschillende anderen waren personen die allerlei bestuurlijke functies voor de stad bekleedden. Arnoldus Ultee mogen we zeker in dit rijtje opnemen.

Het was niet verwonderlijk dat juist deze regenten zich met de touwproduktie bezig hielden. Omdat voor de uitoefening van dit ambacht kapitaal nodig was. Men moest veel geld in hennep kunnen investeren en bovendien een tiental werklieden loon kunnen betalen.

De andere burgers zagen de toename van de touwnijverheid met lede ogen aan, getuige een bezwaarschrift dat halverwege de achttiende eeuw was opgesteld. Naar aanleiding van het verzoek van Willem Noteboom die in de Achterstraat een baanhuis wilde bouwen. De zeer felle reactie van de straatbewoners was gebaseerd op twee argumenten. Ten eerste vonden zij dat de straat te smal was en dat een nieuwe lijnbaan de doorgang ernstig zou ontregelen.

Daarnaast vonden zij dat de lijnbaan uit oogpunt van werkgelegenheid ook niet wenselijk was omdat de Montfoortse burgers hun kostje zelf konden verdienen en een nieuw baanhuis alleen maar slecht volk van buiten zou aantrekken. Desalniettemin honoreerde het stadsbestuur het verzoek van Willem Noteboom. Evenals bij andere ambachten hield het stadsbestuur goed toezicht op het touwslaan.

In 1681 werd de ordonnantie bekrachtigd waarnaar alle baandersbazen zich moesten reguleren.(115) De essentie van de ordonnantie was dat er een keurmeester werd aangesteld die erop moest toezien dat de Montfoortse touwen de juiste kwaliteit en gewicht hadden. De gekeurde touwen werden van een stadszegel voorzien.

Het eerste artikel van de ordonnantie maakte duidelijk dat de lijngarenspinners alleen maar die garens mochten gebruiken die gemaakt waren van de hennepvezels. Er is geopperd dat de Montfoortse lijnbaanindustrie ook sisaltouw zou hebben gemaakt van kokosvezels.

Voor deze stelling spreekt dat de lijndraaiers door tijdgenoten in één adem werden genoemd met de knopendraaiers die de bast van de kokosnoten gebruikten om er knopen uit te halen. Toch lijkt de stelling niet houdbaar omdat de kokosvezels veel te kort waren om er touw van te maken.
Bovendien leggen de bronnen nergens een direct verband tussen het touwslaan en het gebruik van kokosnoten. Het feit dat lijn- en knopendraaiers samen genoemd werden, vloeit voort uit de omstandigheid dat beide ambachten naar Montfoortse begrippen erg groot van omvang waren.

Het grote aantal knechten in deze ambachten dwong het stadsbestuur ertoe speciale maatregelen voor beide takken te nemen, zoals de ordonnantie van 1755 waarin de vroedschap onder druk van de toenemende armoede onder deze groepen strenge richtlijnen vastlegde omtrent de werkduur en lonen van de lijndraaiers- en knopendraaiersknechten.(116) 
114 GAM 267.
115 GAM 266.
116 GAM 40: 01-09-1755.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten